Twee boeddhistische monniken
keren terug naar hun klooster. Ze komen bij een doorwaadbare plaats in een
rivier. De stroming is zeer krachtig, de bedding zeer ongelijk. Er staat een
mooi jong meisje te wachten of iemand haar misschien wil helpen over te steken.
Ze durft dat niet alleen.
Een van de monniken, die natuurlijk de oudste is… omdat hij de oudste is loopt
hij voorop -- een van de spelletjes van het ego: als je ouder bent moet je
voorop lopen, jongere monniken volgen op enige afstand. De oudste komt dus het
eerst bij die plek. Het jonge meisje vraagt hem: `Wilt u me even helpen? U hoeft
me alleen maar bij de hand te nemen. Ik ben bang, de stroming is zo krachtig en
misschien is het hier en daar erg diep.’
De oude man sluit zijn ogen. Dat heeft Boeddha hun voorgehouden, namelijk als je een vrouw ziet en zeker als ze mooi is, dat je dan je ogen moet dichtdoen. Dat verwondert me: je hebt haar al gezien en dan sluit je je ogen; hoe kun je anders weten dat het een vrouw is en dat ze mooi is? Je hebt al een indruk gekregen en dan doe je je ogen dicht! Hij sluit dus zijn ogen en loopt zonder het meisje een antwoord te geven, het water in.
Dan komt de tweede monnik, de jongere, naderbij. Het meisje is bang maar er zit niets anders op. De zon gaat onder, zo dadelijk is het donker. Dus vraagt ze aan de jonge monnik: `Wilt u me bij de hand nemen? Deze oversteekplaats lijkt me erg diep en de stroming is sterk… en ik ben bang.’ De jonge monnik zegt: `Het is hier diep, ik weet het, en met je bij de hand te nemen halen we het niet. Ik zal je op mijn schouders nemen en je naar de overkant dragen.’
Als ze het klooster bereiken
zegt de oudere monnik tegen de jonge: `Zeg makker, je hebt zonde gedaan en ik
zal moeten doorgeven dat jij niet alleen een vrouw hebt aangeraakt, dat je niet
alleen met haar hebt gepraat maar dat je haar ook nog op je schouders hebt
genomen! Je verdient uit de kloostergemeenschap gestoten te worden, je bent niet
waard een monnik te zijn.’
De jonge monnik zegt lachend: `Ik meen dat ik het meisje enkele kilometers terug
heb neergezet maar ik zie dat jij haar nog steeds op je schouders meedraagt. We
zijn nu een paar kilometer verder en jij bent daar nog steeds mee bezig?’
Wel, wat is er aan de hand met die oude monnik? Het meisje was mooi en hij heeft zijn kans niet benut. Hij is kwaad, hij is afgunstig. Zijn seksuele begeerte laat hem niet met rust, hij zit behoorlijk in de knoei. De jonge monnik heeft zich nergens aan bezondigd. Hij heeft het meisje over de rivier gedragen en haar op de andere oever achtergelaten en dat was het dan, daarmee was de kous af.
Vecht nooit met je lusten, je ego, je woede, je afgunst, je haat: jij kunt ze niet eronder krijgen, je kunt ze niet verpletteren, je kunt niet van ze winnen. Het enige wat je kunt doen, is je van ze bewust te zijn. Zodra je ze bewust ervaart, zijn ze verdwenen. Het donker verdwijnt met de komst van het licht.
-Osho-